Vanmiddag geprobeerd een pallettafeltje te maken voor Karin.
Ik dacht: dat doe ik even. Planken op het terras, schroeven erbij, accuboormachine opgeladen. Ik had zelfs nog een filmpje op YouTube gekeken. Dat is bij mij meestal geen goed teken. Als ik eerst moet kijken hoe iets moet, weet ik eigenlijk al dat het gedoe wordt.
Na een minuut of twintig was ik vooral naar dat ding in mijn hand aan het kijken alsof het ieder moment iets terug kon zeggen.
Toen moest ik aan mijn vader denken.
Dat heb ik vaker als ik iets met mijn handen probeer.
Hij werkte op de scheepswerf in Schiedam. Machinebankwerker. Gewoon zwaar werk, lange dagen. Hij kon mooi vertellen over de tijd dat hij met mijn moeder trouwde. Jong, arm, zwanger, bij zijn moeder in huis, en bijna niks op de bank. En dan toch zeggen dat ze rijk waren, omdat ze van elkaar hielden. Dat soort zinnen.
Over dat ongeluk vertelde hij minder.
Tussen stalen platen gekomen. Collega’s hadden hem niet gezien.
Hij bleef leven, maar niet alles ging gewoon weer verder. Er gebeurt iets, en daarna komt iemand wel thuis, maar niet helemaal zoals hij wegging.
Ik denk dat ik dat als kind al aanvoelde, zonder het te begrijpen.
Later zei hij tegen mij dat ik moest zorgen dat ik met mijn hoofd ging werken en niet met mijn handen. Dat heb ik nogal serieus genomen. Een paar planken en een accuboormachine zijn nog steeds voldoende om mij het gevoel te geven dat ik in het beroep van iemand anders ben beland.
Ik werd er onrustig van. Veel onrustiger dan nodig was voor zo’n onschuldig, half af tafeltje.

Dus ben ik gaan wandelen.
Bram liep voor me uit. Wind uit de polder. Beetje grijze lucht. De bomen maakten veel geluid vandaag. Niet onaangenaam.
Onderweg dacht ik weer aan mijn vader. Aan hoe waarschuwingen soms gewoon een vorm van liefde zijn. Niet mooi verpakt, maar toch liefde.
Bram keek af en toe om of ik er nog was.
Dat was ik.
Het tafeltje staat er nog steeds half af bij.
Morgen verder misschien.
Of overmorgen.
Bram ligt te slapen.
De schroeven liggen waar ik ze heb achtergelaten.
Nabrander

Het tafeltje is inmiddels af.
Tenminste, dat dacht ik.
Karin keek ernaar, zette haar voeten erop en zei:
“Mooi voetenbankje.”
Ik heb geen bezwaar gemaakt.
Sommige dingen weten zelf beter wat ze willen worden.
Karin is blij.
Bram slaapt.
En de schroeven zijn op.
Ik vermoed overigens dat mijn vader, machinebankwerker op de werf, het ding eerst kritisch zou hebben bekeken, er even tegenaan zou hebben geschopt en dan zou hebben gezegd: “Nou ja, als Karin er blij mee is.” En dat is in Schiedamse arbeiderstaal ongeveer gelijk aan een ontwerpprijs.
Plaats een reactie