Vandaag wandelde ik met Bram door het veld achter de bomen.
De lucht zag eruit alsof iemand er te lang naar had gekeken.

In het hoge gras stond een invalideautootje geparkeerd. Niet op een parkeerplaats, maar midden in het groen, alsof het daar vanzelf was gegroeid. Er stapte een vrouw uit die mogelijk nog slechter liep dan ik. Dat was hoopvol.

Even verderop liep een man. Hij rookte een joint waarvan de geur al aanwezig was voordat hijzelf zichtbaar werd.
Ik overwoog serieus om te vragen of ik een paar trekjes mocht.
Niet omdat ik daar behoefte aan had.
Meer uit nieuwsgierigheid.
Even checken of het mij nog zou smaken.
Ik deed het niet.
De man verdween tussen de bomen en nam zijn universum met zich mee.

Later kwam ik een vrouw tegen met twee honden.
“Die witte is erg onaardig,” zei ze.
“Gelukkig ben ik vriendelijk,” antwoordde ik.
“Ja, maar ik ook.”

Bram ging liggen in het gras.
Ik zat op mijn bankje.

Plaats een reactie