Elke dag loop ik mijn ronde met de hond. Tegen het middaguur ben ik buiten te vinden. Regen of geen regen. In alle eerlijkheid, de rondes worden kleiner naarmate het meer regent.
Op weg naar mijn eerste bankje word ik vrolijk begroet door een fietser. ‘Is het nu middag of ochtend,’ vraagt hij.
Wij blokkeren nu beiden het fietspad en ik kijk even of er fietsverkeer, danwel een verdwaalde hardloper langs wil.
Ik kijk op mijn smartphone en zie dat het precies twaalf uur is. ‘We zitten echt op de grens,’ zeg ik.
De man vertelt dat hij mij een paar weken geleden groette met ‘Goedemorgen!’ en ik hem klaarblijkelijk had gecorrigeerd met een hartelijk ‘Goedemiddag!’Ik weet het weer.
Hij ziet ons vaak langslopen. Bram de hond en mij. Ik enigszins bedaard achter de rollator.
‘Het lopen gaat steeds beter,’ zegt hij half vragend en wijzend naar mijn kar.
Nu zat ik een uur geleden rond de tafel met een dame van de WMO. Wij onderzochten de mogelijkheid voor een aangepaste fiets. En om haar gespreksverslag en advies kracht bij te kunnen zetten, vroeg ze of ik wilde laten zien hoe ik boven kwam, naar mijn werkkamer, de bad- en slaapkamer. ‘Gewoon op handen en voeten,’ antwoordde ik monter. ‘En Karin brengt dan regelmatig een kop koffie.’
De WMO-dame keek geschokt toen ik halverwege de trap naar beneden was, zei mijn vrouw later. Die lift komt er dus wel, denk ik.
‘Ja hoor,’ zeg ik tegen de fietsmeneer. ‘Gaat steeds beter.’
Ja?’ vraagt hij.
Dus dan begin ik maar over hoe fijn hij woont. Aan de andere kant van het fietspad, tegen de brede sloot aan.

Geef een reactie