Vanmorgen liep ik met Bram langs het water.
Hij liep een paar meter voor me uit, zoals altijd. Hij had waarschijnlijk een afspraak waar ik niets van wist. Ik achter mijn rollator, in het tempo dat mijn benen tegenwoordig voorstellen.
Het was stil.
Niet zo’n stilte waarin niets gebeurt, maar een stilte waarin alles zachtjes doorgaat. Een meerkoet tussen het riet. Een fietser in de verte. Het piepen van een wiel dat ooit gesmeerd moet worden.
Ineens was ik in Annecy.
Bijna een halve eeuw geleden.
Een heuvel boven het meer. De lucht blauw genoeg om je te laten geloven dat de wereld eigenlijk best goed in elkaar steekt . Een auto rijdt voorbij. Iemand steekt zijn hand uit het raam. Ik steek de mijne uit.
Tik.
Dat was alles.
Geen gesprek. Geen namen. Geen vervolg.
En toch wandelt dat moment nog steeds met me mee.
Waarom?
Niet omdat het belangrijk was. Juist omdat het dat niet was.
Misschien omdat er in dat ene gebaar iets besloten lag wat we allemaal nodig hebben. Geen waardering. Geen bewondering. Niet eens begrip.
Alleen:
“Ik zie je.”

Bram bleef staan bij een graspol en keek achterom.
Even dacht ik dat hij hetzelfde wilde zeggen.
Niet als hond natuurlijk. Honden hebben gelukkig geen behoefte aan zulke ingewikkelde gedachten. Maar toch.
Misschien herkennen we elkaar voortdurend op die manier. In een blik. Een groet. Een opmerking na een schaakpartij. Een reactie op een verhaal. Een hand uit een autoraam.
Kleine Annecytjes.
Dingen die niets voorstellen.
En daarom juist alles.
Bram snoof, vond blijkbaar iets interessants in het gras en liep weer verder.
Ik volgde hem.
Sommige ontmoetingen duren een leven lang.
Andere duren precies één seconde.
Tik.
Ze wandelen allemaal mee.
Plaats een reactie