Sinds april: honden aan de lijn.
Bram nam het op als een vakman. Niet blij. Niet beledigd. Eerder bereid. Hij bewoog zich voort alsof vrijheid best een stuk of vijf meter geel lint kan zijn, mits de wereld royaal blijft met geuren.
We parkeerden The Van Morrison aan de rand van het veld. Zo’n plek waar stemmen vanzelf dalen. Alsof de bomen, bij teveel lawaai, rechtstreeks de gemeente bellen.

De lucht droeg zomer. Geen folderzomer. Niet het soort dat glimlacht vanaf gelamineerd papier. De echte soort: zonnebrand, warm hondenhaar, fietsers met helmen die te strak zaten. En ergens, op afstand, een stem die “pas op!” riep naar een kind dat daar geen enkele reden toe zag.
Bram deed zijn ronde met de ernst van een boswachter. Elke graspol werd bekeken. Elke boom kreeg een kort verhoor.

Verderop zaten twee mensen naast een witte bestelwagen. Campingstoelen. Ze keken naar niets bijzonders. Ik vond dat, tegen wil en dank, ontroerend. Misschien omdat ouder worden steeds meer neerkomt op leren kijken naar niets bijzonders. En daar dan genoeg aan hebben.

Later kwam een vriend langs voor schaak. We zetten het bord buiten. Gewoon in het licht, op een kruk, in het gras. De stukken namen zichzelf zichtbaar serieus. De hond niet. Die had geen verstand van schaak en bewoog zich toch met opmerkelijk strategisch gevoel tussen de pionnen door.

Buiten wordt schaak kleiner. Of juister: minder overtuigd van zichzelf. Alsof de bomen ook een zet hebben en, zonder geluid te maken, zeggen: rustig maar, jongens. Uiteindelijk gaat alles terug in de doos.

Een wielrenner hield halt bij het water. Een oude man gleed voorbij op iets wat nog het meest leek op een elektrische troon. Een jonge vrouw kneep haar ogen samen tegen de zon. Iedereen was onderweg. Dat was blijkbaar voldoende.

Bram ging tenslotte naast het bord liggen. Hij slaakte een diepe zucht. Alsof hij zeggen wilde: zelfs een hond aan de lijn begrijpt soms meer van vrijheid dan een mens.

Plaats een reactie