De eerste keer dat ik hem hoorde, dacht ik dat het de vloerverwarming was.
Ik zat op de bank met een bruinig dekentje op mijn buik. Bram lag op de grond, half slapend, af en toe trillend alsof hij in zijn droom achter iets bureaucratisch aan rende. Buiten reed een scooter voorbij, het geluid van een kettingzaag die vastzat in een metalen emmer en dat prima vond.
“Langzamer, rustig,” zei een stem.
Zacht. Niet dreigend. Eerder vermoeid.
Ik keek op van mijn thee. Mijn vrouw was boven. De televisie stond uit. Alleen de koelkast bromde met het morele overwicht van een apparaat dat nooit rust neemt.
“Rustig.”
Ik voelde iets in mijn buik bewegen. Geen pijn. Meer alsof iemand beneden in huis een stoel verschoof.
Ik dacht eerst aan mijn darmen. Op mijn leeftijd moet je realistisch blijven.
De dagen daarna hoorde ik hem vaker. Altijd wanneer ik met het dekentje op de bank zat. Nooit tijdens het lopen. Nooit in bed. Alleen daar, in die specifieke houding: iets onderuitgezakt, voeten op de steun, hand losjes op mijn buik alsof ik toezicht hield op een kleine fabriek.
“Rustiger nou.”
“Je hoeft niet overal iets van te vinden.”
“Die mail kan morgen ook nog.”
Het vreemde was: de stem had geen gelijk, maar ook geen ongelijk. Hij klonk zoals een oude schoolconciërge eruitziet. Alsof hij al jaren verantwoordelijk was voor een gebouw dat langzaam leegloopt.
Na een week besloot ik ermee naar de huisarts te gaan. Niet omdat ik me zorgen maakte, maar omdat je tegenwoordig overal podcasts over psychoses voorgeschoteld krijgt en ik niet ineens iemand wilde worden die ekster, mussen of vinkjes als raadgevers beschouwt.
De huisarts luisterde aandachtig terwijl hij iets intoetste.
“En die stem,” zei hij, “waar bevindt die zich precies?”
Ik wees naar mijn buik.
Hij knikte alsof ik zei dat ik lichte hooikoorts had.
“Komt vaker voor.”
“Echt?”
“Nee hoor,” zei hij. “Maar het leek me rot als u zich speciaal zou voelen.”
Dat vond ik eigenlijk geruststellend.

Een paar dagen later zat ik weer op de bank. Dekentje. Thee. Bram snurkend alsof hij nat cement stond glad te strijken.
Toen zei de stem ineens iets anders.
“Wij maakten vroeger wijn.”
Ik bleef stil.
“Pardon?”
Geen antwoord.
Even dacht ik dat ik het me verbeeld had, tot hij zacht kuchte. Een droge, vermoeide kuch, alsof hij al eeuwen stof inhaleerde.
“Waar?”
“Berghellingen. Warm land. Veel stof. Slechte fluiten.”
Ik keek naar mijn buik.
“Wie bent u eigenlijk?”
Het bleef lang stil.
Toen zei hij:
“Dat weten wij zelf ook niet helemaal meer.”
Vanaf dat moment begon het uit de hand te lopen.
Hij vertelde dingen die onmogelijk controleerbaar waren. Over een klooster zonder deuren. Over een oorlog waarin soldaten wekenlang vergaten waarom ze vochten en daarom maar brood gingen bakken voor elkaar. Over een vrouw met gouden tanden die volgens hem ooit de paus had beledigd door een paling tegen de muur te gooien.
Soms viel hij midden in een verhaal in slaap.
Letterlijk. Dan hoorde ik ineens zacht gesnurk vanuit mijn buikstreek.
Mijn vrouw begon te merken dat ik stiller werd.
“Je zit de laatste tijd zo vreemd te luisteren,” zei ze.
“Waarnaar?”
“Alsof iemand heel langzaam instructies geeft.”
Ik knikte.
“Dat klopt ook een beetje.”
Ze keek niet eens verbaasd.
Na vijfentwintig jaar huwelijk verschuift de grens van wat zorgwekkend is aanzienlijk.
De stem werd ondertussen ouder. Trager ook.
Steeds vaker zei hij alleen nog:
“Lager tempo…”
Of:
“Niet alles hoeft opgelost.”
Gisteren hoorde ik hem bijna niet meer.
Ik zat op de bank met het dekentje op mijn buik. Buiten hing regen boven de straat alsof hij nog niet besloten had of hij moeite wilde doen.
“Bent u er nog?” vroeg ik.
Een lange stilte.
Toen, heel zacht:
“Jij bent er nu.”
Daarna niets meer.
Alleen Bram die sliep.
En de vloerverwarming die aansloeg alsof ergens diep in huis iemand alsnog voor ons bleef zorgen.
Plaats een reactie