De vrouw stond half in haar voortuin, half in haar ochtendjas. Zo’n houding die zegt: ik was eigenlijk iets anders van plan, maar vooruit. Haar hond, een Drentse patrijs, nerveus lijf, intelligente ogen, hing tegen haar been aan alsof hij zojuist had gehoord dat de dierenarts hem “een schatje” vond, en nu wist dat niemand hem nog serieus zou nemen.

“Hij is kapot als we thuiskomen,” zei ze. “Van het rijden op andere honden.”

Ze zei het zonder schaamte. Meer administratief. Ze had net zo goed kunnen vertellen dat hij gevoelig was voor gluten.

“Zelfs naar de dokter geweest,” vervolgde ze. “Mevrouw, die hond is tien maanden. Gestrest. Kan agressief worden óf gaan rijden. Heeft niets seksueels.”
Ze haalde haar schouders op.
“Nu laat ik het maar.”

Bram boog zich over een grasspriet alsof daar het antwoord op al zijn uitdagingen in verstopt zat.

Karin onthulde:
“Bram doet het vooral op een groot, stevig kussen.”

Ze zei het op dezelfde toon waarop mensen zeggen dat de cv-ketel weer bijgevuld moet worden.

“Geen prettig gezicht,” vond ze.

“Nee,” antwoordde de vrouw. “Maar wel in de huiselijke sfeer.”

Dat vond ik misschien nog het vreemdste deel van het hele gesprek

Er bestaat dus een categorie waarin dingen tegelijk gênant en gezellig kunnen zijn. Alsof het leven voortdurend probeert te ontsnappen aan waardigheid, maar wel graag binnen blijft.

Plaats een reactie