Ik zat op ons bankje bij het water.Niet echt ons bankje natuurlijk. Zo’n gemeenschapsbank van hout dat altijd een beetje vochtig blijft, zelfs midden augustus. Niemand zat er ooit langer dan drie minuten, daarom was het van ons geworden.
Bram lag eronder met zijn kop op zijn poten. Hij keek naar het water alsof het hem ergens van verdacht.
Ik dacht aan koffie.
Het was warm voor de tijd van het jaar. Zo’n kleffe warmte waardoor mensen ineens vriendelijker naar elkaar knikken. Alsof hun lichaam alvast vakantie heeft genomen.
Af en toe liep er iemand voorbij met een hond. Dan kreeg je dat korte ritueel van hondenbezitters: even kijken, knikken, glimlachen zonder tanden. Daarna weer doorlopen.
Toen kwam die man.
Hij had een hondje bij zich. Beige krulhaar. Natte ogen. Met een blik alsof hij voortdurend ergens excuses voor aanbiedt.
Het dier liep scheef.
De man ook een beetje.
Hij keek alsof hij zich betrapt voelde toen hij ons zag zitten. Zijn jas hing open. Op zijn mouw zat een donkere vlek die oud leek.Toen rook ik het.Eerst zacht. Zoet bijna. Daarna iets zuurs eronder. Warm. Bekend.
“Bram zit vast,” zei ik. Geen idee waarom ik dat zei. Misschien omdat mensen met kleine honden altijd bang zijn voor zwarte honden.
De man vertraagde.
“Die van mij zit onder de stront,” zei hij.
Hij zei het rustig, alsof hij alleen meldde dat de koffie op was.
Toen zag ik het pas goed.
Het hondje zat volledig onder een dunne bruine brij. Niet gewoon vies. Volledig besmeurd. Tussen de tenen. Rond de ogen. Op het buikje waar de haren aan elkaar plakten in natte punten.
“Hij heeft erin liggen rollen,” zei de man.
“Van een wandelaar, denk ik.”
Hij lachte heel even, maar alleen met zijn mond.
Bram kwam overeind.
Hij keek eerst naar het hondje. Toen naar de man.
Daarna zette hij langzaam een stap achteruit.
Geen gegrom. Geen geblaf.
Gewoon afstand.
“Ik weet niet wat ik moet doen,” zei de man.
Hij ging naast ons zitten zonder te vragen of dat goed was.De geur kwam meteen mee omhoog uit zijn kleren. Alsof die daar al jaren woonde.
“Dat doet-ie niet zo vaak,” zei hij. “Eigenlijk alleen bij warm weer.”
Hij keek naar zijn handen.
“Thuis ruik je het minder.”
Ik kon het mij niet voorstellen.
Verderop hoorde je kinderen schreeuwen op een speelveld. Een bal tegen een hek. Iemand lachte alsof er niets ergs bestond.
De man haalde zijn schouders op.
Het hondje keek ondertussen naar Bram met kleine waterige ogen. Alsof het iets wilde uitleggen. Bram keek weg.
Dat was misschien nog het ergste. Niet die geur. Niet die man. Maar dat Bram weigerde terug te kijken.
De man stond uiteindelijk weer op en trok zacht aan de lijn. Het hondje volgde meteen. Het voelde zich blijkbaar niet genoeg vernederd.
Toen ze verdwenen waren bleef de geur nog een tijd hangen.
Bram ging weer liggen, maar hij legde zijn kop niet meer neer.
Hij bleef naar het pad kijken waar de man was verdwenen.

Alsof hij begreep dat sommige dingen niet vies zijn omdat ze smerig zijn.
Maar omdat ze blijven.
Plaats een reactie