Bram was er vandaag gewoon bij.
Natuurlijk was hij erbij.
Hij liep voor me uit alsof hij persoonlijk verantwoordelijk was voor het voortbestaan van gras.

Een man rende over het pad. Hij probeerde zijn lichaam te ontvluchten.
Zijn knieën zagen er duur uit.
Bram keek nauwelijks op.
Voor honden zijn joggers gewoon bewegende meubels.

Verderop liepen twee oude mensen naast elkaar in een stilte die niet meer gerepareerd hoefde te worden.
Dat vond ik eigenlijk mooi. Of triest. Soms haal ik die twee door elkaar.

Bij het water hing zo’n licht waardoor alles eruitzag alsof het zichzelf al een beetje had opgegeven.
Zelfs de bomen leken moe van hun eigen bladeren.

Toen zag ik die afvalbak.

Samen voor een schoon Alkmaar.

Er zat iets ontroerend hopeloos in die zin.
Alsof de beschaving uiteindelijk neerkomt op mensen die hun troep in ongeveer de juiste opening proberen te proppen.

Er zat een half losgetrokken sticker op de bak.
Iemand had blijkbaar ruzie gehad met een afvalbak en besloten:
nee, jij gaat vandaag niet winnen.

Ik bleef daar veel te lang naar kijken.

Sinds de operatie gebeurt dat vaker.
Gewone dingen stappen ineens naar voren alsof ze iets van je willen.
Een vuilnisbak.
Een boom.
Een hond die midden op het pad stil blijft staan omdat een grasspriet blijkbaar dringende informatie bevat.

Bram snoof ernstig aan een polletje gras. Alsof hij zojuist slecht nieuws had ontvangen.

Het water rook naar modder en beginnende zomer.
De jogger kwam opnieuw voorbij. Of misschien een andere. Ze lijken op elkaar vanaf een bepaalde leeftijd. Er moet altijd iets ingehaald worden voordat het donker wordt.

Ik dacht ineens:

misschien is beschaving niets anders dan samen langzaam uit elkaar vallen, terwijl iemand ondertussen nog wél netjes zijn blikje weggooit.

Bram keek achterom.

Dat hielp.

Plaats een reactie