Elke ochtend zat ze daar al.
Plastic stoel. Sigaret.
Alsof ze onderdeel was van de flat zelf.

Bram trok meestal een beetje aan de lijn zodra we haar naderden. Niet uit angst. Meer uit nieuwsgierigheid. Of omdat hij rook interessant vond. Honden hebben lage standaarden.

Ze groette me altijd.
Niet vriendelijk. Niet onvriendelijk ook.
Meer alsof we samen een nachtdienst hadden overleefd.

Op een ochtend vroeg ze hoe mijn hond heette.

“Bram,” zei ik.

Ze kneep haar ogen half dicht, alsof ze een herinnering probeerde aan te steken.

“Bram,” zei ze. “Zo heette mijn eerste verliefdheid.”

Daarna keek ze niet meer naar mij maar naar de hond.
“Wat een mooie zwarte hond. En die krulletjes. Mijn vader had ook zo’n hond. Mag ik hem iets geven?”

Voor ik nee kon zeggen, had ze al een hondenkoekje uit haar jaszak gehaald. Het zag eruit alsof het daar al sinds de regering Den Uyl zat.

Bram at het zonder aarzelen op.
Verraad zit diep in een hond.

Toen begon ze te praten.

Over een jongen van twaalf huizen verderop die ooit naar haar had gezwaaid vanaf een balkon en daarmee blijkbaar haar hele leven had verpest. Over hoe mensen in een boog om haar heen liepen vanwege de rook. Over dat kinderen haar tegenwoordig “het lekkere hondensnoepvrouwtje” noemden.

Ze lachte erbij alsof het een onderscheiding was.

Ik stond daar met Bram aan de lijn en voelde langzaam hoe mijn ochtend kleiner werd. Alsof ik per ongeluk een kamer was binnengelopen waar iemand al jaren tegen de muur zat te praten.

Bram keek intussen alleen maar naar haar jaszak.
Hopend op nog een koekje.

Sindsdien loop ik een ander rondje door de wijk.
Bram niet uit overtuiging.
Ik wel.

Plaats een reactie