Bram trekt aan de lijn zodra we het veld oplopen. Het gras is nat, modderig. Zijn poten zuigen bij elke stap. Langs het pad staan de houten paaltjes met prikkeldraad.
Op het eerste paaltje staat een windmolentje. Rood met geel. Het draait scheef.
Een vrouw met een herdershond blijft staan.
“Dat zat er gisteren nog niet.”
De hond duwt met zijn neus tegen de paal. De windmolen piept.
De vrouw trekt hem weg.
“Niet aankomen.”
Ze loopt door.
Verderop ontbreekt een paaltje. Het hout is vers gespleten. Splinters liggen in het gras.
Een man in een groene jas staat erbij.
“Boer,” zegt hij. “Paarden.”
Hij wijst naar het weiland. Twee paarden staan stil.
“Was bang dat ze zich openhaalden.”
Hij blijft nog even staan, maar zegt niets meer.
Dan loopt hij door.
Bij de ingang van het veld hangt een bordje.
Bobby 2022 – 2026
Net binnen het veld, achter dat hek, ligt een rechthoekige plek aarde. Donkerder dan de rest.
Een kuil. Een plank erover. Wat aarde erop.
Er ligt een rubberen bal naast.
Twee mannen staan ervoor.
“Wist jij hiervan?”
De ander schudt zijn hoofd.
Zijn hond loopt naar de plek en begint te graven.
“Niet doen.”
Hij trekt de hond weg. De hond jankt kort, maar blijft naar de grond kijken.
Een derde man komt erbij staan. Oude jas, verfspatten. Natte schoenen.
Hij kijkt naar het bordje. Dan naar die plek op de grond.
“Zonde,” zegt hij. “Zo jong.”
Niemand reageert.
Bram duwt tegen de bal. Die rolt een stukje en blijft steken.
De man kijkt op.
“Van wie is die?”
“Van hem.”
Hij knikt. Kijkt weer naar de plek.
“Ze vragen tegenwoordig overal geld voor,” zegt hij.
Niemand zegt iets.
“Geestmerloo,” zegt hij. “Natuurbegraafplaats.”
De twee mannen kijken hem aan, dus hij praat door.
“Alleen een gat. Plank erover. Beetje aarde.”
Hij bukt, pakt de bal op, veegt hem af aan zijn jas. Legt hem terug. Netter dan eerst.
“En toch betalen.”
De hond begint weer te trekken.
“Kom.”
De mannen lopen weg.
De vrouw met de herdershond komt terug, kijkt kort naar het bordje, maar zegt niets. Ze blijft een seconde te lang staan. Dan draait ze zich om en loopt weg.
De man blijft staan.
Hij kijkt naar het lege paaltje. Naar dat molentje verderop.

Er komt een nieuw groepje het veld op.
Hij wacht tot ze dichtbij zijn.
“Hier ligt iemand begraven,” zegt hij.
De man sluit aan bij het groepje.
Een vrouw met een kleine hond. Een oudere man met een labrador.
Ze kijken naar het bordje. Dan naar de plek.
“Van wie is die?” vraagt de vrouw.
De man haalt zijn schouders op.
“Stond er vanochtend nog niet,” zegt hij.
De labrador loopt naar de aarde en begint meteen te graven.
De grond is zacht. Donker.
Niemand zegt iets.
“Laat maar,” zegt de oudere man uiteindelijk.
Hij trekt de hond weg.
De hond verzet zich even, maar komt mee.
“Gek,” zegt de vrouw. “Dat iemand dat zomaar doet.”
De man knikt.
“Gebeuren meer dingen hier,” zegt hij.
Hij wijst naar de paaltjes.
“Eerst dat ding.”
Hij knikt richting het molentje.
“Toen dat stuk eruit.”
De vrouw kijkt.
“Ja,” zegt ze. “Die boer.”
De wind pakt het molentje. Het draait en piept.
“En nu dit,” zegt de man.
Niemand zegt iets.
De labrador trekt weer naar voren.
“Niet weer,” klaagt zijn baas.
De man buigt iets naar voren.
“Geestmerloo,” zegt hij.
De vrouw kijkt hem aan.
“Natuurbegraafplaats,” zegt hij.
Hij wijst naar die plek.
“Alleen een gat. Plank erop.”
De vrouw zegt niets.
De oudere man haalt zijn schouders op.
“Als mensen dat willen.”
De man knikt.
“Wordt duurder,” zegt hij.
Hij blijft staan.
De anderen niet.
“Kom,” zegt de vrouw tegen haar hond.
Ze draaien zich om. Lopen weg.
De man blijft achter.
Bram snuffelt. Krabt kort met zijn poot.
De aarde verschuift.
Onder die losse laag wordt de plank zichtbaar.
Wit.
Ik trek Bram weg.
De man kijkt ernaar.
Hij zet geen stap.
Hij zegt niets.
Er komt alweer een nieuw groepje aan.
Hij loopt erheen.
Het veld is stiller nu.
Dat molentje beweegt nog even en staat dan stil.
Bij het hek hangt dat bordje nog.
Daarachter ligt die plek in de grond.
De aarde is ingezakt.
De man staat erbij.
Een vrouw komt het veld op. Een oude hond achter haar aan.
Ze stopt bij het hek. Leest het bordje.
Dan loopt ze door. Naar de plek.
De man komt naast haar staan.
“Hier ligt iemand begraven.”
De vrouw zegt niets.
De hond snuffelt en gaat zitten.
“Zonde,” zegt de man.
De vrouw knikt.
Ze kijkt hem aan.
“Het is nep,” zegt ze.
De man kijkt naar de plek.
Dan naar haar.
Hij zegt niets.
De wind komt op.
Het molentje draait, maakt een droog geluid.
De hond staat op en krabt in de aarde.
Langzaam.
De grond geeft mee.
Onder die laag komt de plank tevoorschijn.
Hard. Glad.
De vrouw kijkt ernaar.
De man ook.
Niemand beweegt.
De hond stopt.
De vrouw houdt de lijn kort, zegt niets.
De man recht zijn rug.
Hij zet een stap achteruit.
De vrouw blijft staan.
Even.
Dan draait ze zich om en loopt weg.
De hond volgt.
De man blijft staan.
Hij kijkt naar de plank in de grond.
Hij bukt niet.
Hij kijkt naar het pad.
Er komt niemand.
Het molentje draait nog één keer en valt stil.
De man verplaatst zijn voet in het gras.
Hij kijkt nog eens naar de plek.
Dan iets ernaast.
Daar is de grond donkerder.
Een kleine rechthoek.
Net begonnen.
De plank ligt er al.
Nog zonder tekst.
De man kijkt ernaar.
Hij zegt niets.
Plaats een reactie