Het veld waar wij Bram uitlaten is eigenlijk geen veld, maar een overgebleven stuk land tussen Koedijk en een natuurgebied. Er staan paaltjes. Niemand weet wie de paaltjes heeft geplaatst. Ze zijn er altijd geweest, net als de hondenpoep en de plastic tasjes die in de meidoorns wapperen als vlaggetjes van een verloren expeditie.


Op een ochtend in maart, het was koud en ik was mijn jas vergeten, wat mij de hele wandeling een onbestemd schuldgevoel bezorgde, stond er een windmolentje op een van de paaltjes. Het was gemaakt van bierflesjes. Beugeltjes. De groene scherven waren met ijzerdraad aan elkaar geknoopt en draaiden klagend in de wind.

Foto’s made by @kardonsch.bsky.social kunstweideWAFWAF

Mijn vrouw vond het mooi.
Ik vond het ook mooi, maar ik zei niets, want ik was mijn jas vergeten en voelde mij niet gerechtigd om uitspraken te doen over schoonheid.
Er stond een man naar ons te kijken. Hij droeg een regenjas hoewel het niet regende en zou die dag ook niet gaan regenen. Dat wist ik omdat ik ’s ochtends naar het weerbericht had gekeken in plaats van mijn jas te pakken.


De boer kwam op zijn quad. Hij stapte niet af. Hij rukte het windmolentje van het paaltje alsof het een verrot gebit was dat getrokken moest worden.
“Mijn paarden,” zei hij.
De paarden stonden tweehonderd meter verderop in een wei. Ze keken niet op. Ze hadden het windmolentje waarschijnlijk nooit gezien. Paarden kijken niet naar kunst. Dat is hun geluk.

Een week later, of waren het twee weken? de tijd gaat anders sinds ik werkloos ben, de dagen hebben geen grepen meer, lag er een grafsteen naast de ingang. BOBBY stond erop. 2022-2026. Een pootafdruk eronder.
Mijn vrouw bleef staan en ik bleef ook staan, want zelfs na drie jaar huwelijk is dat wat je doet.
“Vier jaar,” zei ze. “Dat is geen leven.”
Een vrouw met een golden retriever huilde. Ik kende haar niet. De hond kende Bram wel, ze snuffelden aan elkaar met de beleefdheid die honden hebben en mensen kwijt zijn geraakt.
“Misschien moeten we Bella hier ook ” zei de vrouw, maar ze maakte de zin niet af.

De man met de regenjas stond verderop. Hij schreef iets op in een blocnote. Hij keek af en toe op, naar de steen, alsof hij controleerde of die er nog lag.


Die avond kon ik niet slapen. Ik dacht aan Bobby. En aan de man, al wist ik niet precies waarom. Aan hoe Bobby gestorven zou zijn. Een auto misschien. Of die ziekte waarbij de darmen zich omdraaien. Mijn oom had een hond gehad die zo gestorven was. De hond heette naar mijn oom, wat ik als kind verwarrend vond en nu nog steeds.

De derde keer stond de man naast ons bij de afvalbak. Bram had gepoept en ik knoopte het zakje dicht. Het was een handeling die ik duizenden keren had verricht en die mij elke keer weer met een zacht afgrijzen vervulde. Mijn vader had nooit hondenpoep opgeraapt. Niemand deed dat in zijn tijd. De wereld was voller met stront en niemand schaamde zich.

“Alles wordt duurder,” zei de man. “Zelfs doodgaan.”
Hij vertelde over Geestmerloo. De natuurbegraafplaats. Een gat in de grond. Een plank erover. Een wilg of een els, afhankelijk van de grondsoort. Hij had de folder bij zich, vochtig aan de randen en hij liet ons de prijslijst zien alsof het een menukaart was van een restaurant waar hij niet meer zou komen eten.
“Mijn vader ligt in Schiedam,” zei ik, zonder te weten waarom. “Uitgestrooid.”
De man knikte. “Dan ben je twee keer dood,” zei hij. “Een keer echt en de tweede keer verwaai je.”

Mijn vrouw keek naar de folder. Naar de foto van een open plek tussen de berken. Het zag eruit als een vakantiepark. Alleen zonder terugkeer.
“Bobby was niet echt,” zei de man toen. “De steen wel. Honderdveertig euro in Schagen. Ze vroegen niets. Ik zei dat het voor mijn hond was en ze knikten en schreven Bobby op een formulier.”
Hij keek even naar het veld.
“Ik moest ergens beginnen.”
Hij haalde een pillendoosje uit zijn regenjas. Oranje plastic, het soort dat je bij de apotheek krijgt. Hij schudde het. Het rammelde niet.
“Volgende week nieuwe,” zei hij. “Als het zin heeft.”

Mijn vrouw keek mij aan. Ik keek naar Bram. Bram keek naar een duif die in een plas stond en eruitzag alsof hij al jaren in die plas stond en van plan was daar te blijven staan tot het einde der tijden.
“De vrouw met de golden retriever heeft de gemeente gebeld,” zei de man. “Ze wilden weten of dit een officiële hondenbegraafplaats was. De gemeente wist van niets. Ze zeiden dat ze het zouden uitzoeken.” Hij lachte. Het was geen vrolijke lach. Het was het soort lach dat je hoort in wachtkamers, tussen het hoesten door.
“En u?” vroeg mijn vrouw. “Wat doet u met al die reacties?”
De man sloeg zijn blocnote open. De bladzijden waren volgeschreven in een handschrift dat ik niet kon lezen. Misschien kon hij het zelf ook niet meer lezen.
“Ik schrijf het op,” zei hij.
Hij keek naar het veld.
“Voor later. Of zo.”

Hij liep naar een groepje met een labrador. Ze maakten ruimte voor hem.
Wij gingen naar huis. De steen lag er nog. Iemand had er plastic tulpen bij gezet. Geel. Ze stonden scheef in de wind, alsof ze probeerden ergens anders te zijn.
Bram keek niet om.

Een paar dagen later stond er weer iets op een paaltje.
Geen windmolentje dit keer, maar een plastic zakje. Doorzichtig. Er zat iets in wat op brood leek, maar het was te wit en te stil om brood te zijn. Het bewoog niet. Het hing daar, zacht klapperend, alsof het probeerde te bedenken wat het was.
“Bram,” zei ik, maar Bram had het al gezien.
Mijn vrouw zei niets. Ze keek naar het zakje zoals ze naar de steen had gekeken.

Er lag nog een steen.
Niet bij de ingang dit keer, maar iets verder het veld in, half in het gras gedrukt. Er stond geen naam op. Alleen een datum. Of misschien twee data, maar het tweede jaartal was nog niet ingevuld. Er zat een kras waar het had moeten staan.
Bram liep erlangs zonder te stoppen.
“Misschien is het nog niet af,” zei mijn vrouw.

Bij de afvalbak lag een blocnote.
Hij was natgeregend en de bladzijden plakten aan elkaar. Ik pakte hem op, hoewel ik niet goed wist waarom.
De eerste pagina was leeg.
De tweede ook.
Pas verderop stonden woorden. Geen zinnen. Namen misschien. Of dingen die namen hadden kunnen zijn. Bobby stond ertussen, maar kleiner geschreven dan de rest, alsof het al iets verder weg was.
“Het lijkt op een lijst,” zei mijn vrouw.
“Of een begin,” zei ik.

Aan de rand van het veld stond een groepje mensen met honden. Ze praatten zachter dan normaal. Ik zag de vrouw met de golden retriever.
“Waar is hij?” vroeg ze.
Niemand antwoordde.
Bram ging zitten. Hij keek het veld in, alsof hij wachtte tot iets zich zou aandienen dat wij nog niet konden zien.
Ik legde de blocnote terug bij de afvalbak. Niet precies waar hij had gelegen, maar in de buurt. Dat leek mij voldoende.
Toen we wegliepen, dacht ik even dat ik iets hoorde achter ons. Geen stem. Meer een beweging. Alsof er iets werd neergezet.
Ik keek niet om.
Dat is iets wat je leert van honden.

Plaats een reactie