Ik zit.

Ik kijk, hoor en ruik.

Een Fiat met een kano op het dak. Een vrouw die koffie zet naast haar camper. Bram ligt languit in de schaduw. Hij kent de tijd persoonlijk.

Dan lopen er twee mannen voorbij met een kar vol zomerspullen.

Een koelbox. Opgevouwen stoelen. Een handdoek. Dingen die je na een middag zwemmen weer mee naar huis neemt.

Ineens weet ik het zeker.

Eén van hen is Parkjutter.

Niet de man in het rode shirt. Die valt juist op.

De ander.

Hij loopt alsof hij nergens naar op zoek is.

Dan vind je het meest.

Misschien jut hij gesprekken die niemand afmaakt. Halve herinneringen. Verkeerd uitgesproken namen. De stilte die overblijft nadat iemand heeft gezegd: Nou, we gaan maar eens.

Ik kijk hem na totdat hij weer gewoon een man met een karretje is.

Dat is het gekke aan een Parkjutter.

Je weet nooit of je iemand hebt ontmoet, of alleen heel even een ander verhaal over dezelfde persoon hebt verteld.

Terwijl hij uit beeld verdwijnt, gebeurt er iets eigenaardigs met de verhalen die ik mezelf vertel.

Ze verstillen.

Ze verstaan elkaar.

Ze versnipperen.

Ze verspreiden zich.

Ze verhelderen.

Uiteindelijk blijft alleen de middag over.

Plaats een reactie