Mijn kop regent tranen, bij elke hijs. Een smerige gewoonte, ik weet het. Natuurlijk weet ik dat! ‘Iedereen heeft recht op ten minste één smerige gewoonte,’ had ik Kimber toegebeten. ‘En jij dus ook. Een recht, een godvergeten recht. En plicht natuurlijk. Vanzelfsprekend plicht. Wij hebben de nobele plicht een smerige gewoonte te ontwikkelen, lief te hebben, te koesteren, te cultiveren zeg maar. Voor jezelf, of juist voor de ander, voor de jou en de jouw, of de totaal niet jouw.’
Kimber had het aangehoord, een tel nagedacht en toen haar huissleutel teruggevraagd. ‘Het zit gewoon niet in u,’ had ze gezegd. ‘Ge mist iets. U maakt mij niet gelukkig.’
De tafel is schoon. De koffie goed.
Ik zit graag hier, in de keukenkamer. Vier jaar geleden trok ik in deze gerenoveerde jaren twintig woning. Klein, maar voorzien van alle gemakken. De vloerverwarming, de ingebouwde combi-oven en de vaatwasser doen hun best, maar voelen geen garantie voor wat nog voor mij ligt.
Meestal blader ik door damesbladen die de buurvrouw trouw door mijn brievenbus schuift. ‘Ik moet ze wel terug, want ze zijn eigenlijk voor mijn zus.’ Prima. Zo blijf ik op de hoogte van hoe ik mij dien te gedragen in het licht van elke bedoelde en onbedoelde relatie. Moest het leven niet achteraf worden verklaard? Oude verhalen bezingen dat. Soms zing ik lallend mee.
’s Avonds rook ik aan tafel en kijk naar de achterburen. Hun keukentafeltaferelen. In het donker kunnen ze, als ze dat al willen, het gloeiende tipje van mijn peuk ontwaren. Niemand ziet mij zitten.
Ik kan elk moment stoppen met roken. Deed ik vijfentwintig jaar geleden ook. Wij wilden kinderen. Schoon zaad was dan een vereiste. Kimber proefde trouw of het al zuiver was.
De tafel is dan oké. De koffie oké. De keuken ruik je.
Uit het theekastje, dat ik ruim twee jaar geleden met een overschillige precisie onder een stapel hangende boeken plaatste, graai ik een volgende aangebroken fles. Ontbijt. De eerste slok smaakt nergens naar. Dat is precies waarom hij werkt.
Een schaal vol leven blijft onaangeroerd. Sla slinkt snel als je het laat liggen. Wordt buitengewoon smerig. Gisteren nog haalde ik een vergeten zak uit de groentenla. Bruinig water onderin.
Er rolt een vrachtwagen door de straat. Olijven rillen.
‘Blijft dit nog lang zo?’ zwemt Kimber door mijn glas.
Een flinke slok legt haar meestal het zwijgen op.
‘Ik wist waar ik kwam te wonen,’ zeg ik.
‘Je wist waar je zou eindigen,’ galmt Kimber in mijn hoofd. ‘Waar je wil eindigen.’
‘Ja, ik wist waar ik kwam te wonen,’ herhaal ik. ‘Ik wist waar ik wilde eindigen en ik was daar bang voor, ja. Waarvoor ben ik nou niet bang?’
De kamers waren ondiep.
Dat scheelde weer zoeken.
Het ging om de lichtinval, begreep ik later.
Ik vul mijn glas opnieuw en neem een slok.
Een kort moment voel ik mij vallen. Voor ik mij kan opvangen, glijd ik de stilte in. Heel even, voldoende om een verlangen te voelen prikken achter mijn hart.
✥
‘Kimber?’
‘Je zou mij niet meer bellen, Léo.’
‘Mijn ogen,’ huil ik.
Ze is stil.
‘Ik zie niets meer. Kom naar mij toe. Alsjeblieft.’
‘Bel de huisarts, Léo. En laat mij rust.’
De lijn verbreekt.
Binnen het half uur staat ze toch op de stoep.
✥
De weeïge geur van jenever, stront en zeik sijpelt mijn sinussen binnen. Alles plakt. Mijn hemd, mijn broek, mijn sokken.
‘Schijtdruiven,’ mompel ik. Tot op mijn rug.
Moeizaam kom ik overeind. Hees me de trap op, naar de badkamer. Ik waste mijn gezicht bij de wasbak, poetste mijn tanden. Dat was niet genoeg. Ik douchte me tegen beter weten in.
Het water doet me goed.
Het water voelt even alsof ik nog een mens ben.
Grenzenloos en begrensd.
✥
Kimber opent een keukenraam. De binnendringende koude voelt aangenaam. Helder. Zuiverend. Ze verzamelt de overgebleven glasscherven. Ordent ze op grootte. Weegt ze een voor een in haar hand.
‘Ga verdomme, ga en laat me.’
‘Léo, ik ben er voor je. Kan je staan?’
Ik antwoord zacht dat mij dat niet gaat lukken.
‘Wil je staan? Dan zet ik je weer aan de tafel.’
‘Nee. Laat mij hier maar even zitten.’
‘Op deze mestvaalt?’ fluistert ze.
‘Het is wat het is,’ zeg ik.
‘Daar heb je vrede mee?’ vraagt ze liefdevol. ‘Is dit werkelijk wat ge wilt?’
Ze legt haar hand op de mijne. Haar vingers koud en stil.
Ze rook naar sinaasappelschillen en goedkope handcrème.
‘Blijf je hier zitten tot het over is?’
‘Over, over, wat klets je?’ antwoord ik bits. ‘Waar heb je het over?’
‘Allez kom, ik ken u. We hebben dit al zo vaak gespeeld. Het is eigenlijk wachten tot de volgende episode, de volgende terugval. En jij wordt er echt niet sterker op. Je kunt nu verdorie niet eens meer op uw benen staan. Je bloedt. Het stinkt hier naar een beerput. Dat wordt alleen maar erger. Ik maak mij zorgen.’
Ik wil iets zeggen. Haar geruststellen. Maar haar grip op mijn hand wordt steviger.
Ik voel de splinter in mijn huid drukken. Klein eerst. Steeds dieper.
Mijn mond opent zich zonder klank.
Ik begrijp wat ze doet nog voor ze het zelf beseft.
✥
De buurvrouw vindt me na een dikke week.
De politie stelt de gebruikelijke vragen. Is er sprake van een natuurlijke dood of niet?
Kimber knikt.
‘Overal van afblijven,’ roept de agent.
Kimber schrikt. Een half opgegeten augurk valt in de bodybag.
Ik lig er al.

Plaats een reactie