Bram liep voor me uit alsof hij ergens verwacht werd.
Niet door mij in ieder geval, want ik had geen idee waar we heen gingen.

Ik liep erachteraan met mijn rollator, die vandaag weer piepte alsof hij bezwaar had tegen het leven zelf.
Misschien had hij gelijk.

De wind was er ook.
Niet indrukwekkend, maar aanwezig, zoals een buurman die niets zegt maar toch blijft staan.
Hij streek langs mijn gezicht, een beetje onderzoekend.
Alsof hij dacht: leeft hij nog?

Ik besloot van wel.

Maar toen kwam die gedachte weer.
Niet dramatisch.
Meer zoals een sleutel in je zak waarvan je niet weet op welke deur hij past.

Wat blijft er eigenlijk over van mij?

Mijn naam bijvoorbeeld.
Han.
Ik zei het een paar keer zachtjes voor me uit.
Han. Han. Han.
Na de derde keer klonk het als iemand die ik ooit gekend had, maar waar ik geen contact meer mee heb.

Bram bleef staan en keek om.
Niet vragend.
Meer zo van: kom je nog, of heb je weer iets ingewikkelds bedacht?

Ik was er nog, ja.
Maar wat dat precies betekende, werd er niet duidelijker op.

Mijn lichaam deed mee, zij het met tegenzin.
Mijn herinneringen ook, mijn broer, gisteren, allerlei dingen die zich hardnekkig aan me vastklampten alsof ik ze nog ergens voor nodig had.

En toch was er ook iets dat nergens last van had.
Iets dat gewoon keek.

Ik moest ineens aan water denken.
Waarom weet ik niet.
Dat gebeurt vaker bij mij.

Water dat langs een bocht stroomt en denkt:
hier ben ik Han.

Even klopt dat ook.
Maar een paar meter verder is die naam weer verdwenen, en stroomt het gewoon door alsof er nooit iemand geweest is.

Bram snuffelde aan een plek die gisteren ook al buitengewoon interessant was.
Of misschien vergis ik me en is elke plek voor hem nieuw, en ben ik degene die blijft herhalen.

Dat zou ook kunnen.

Er kwam een soort rust over me.
Geen oplossing, daar doe ik niet aan.
Maar meer het idee dat ik misschien niet alles hoef vast te houden.

Dat het niet zo erg is als dingen veranderen.
Zelfs niet als ze verdwijnen.

Mijn broer bijvoorbeeld.
Zijn naam, zijn stem, ik kan ze nog oproepen, maar ze glippen ook weer weg.
En toch voelt het niet alsof hij er niet meer is.
Meer alsof hij ergens anders rondloopt, buiten mijn bereik, maar niet buiten alles.

Bram blafte.
Kort. Zakelijk.

En ineens was alles weer gewoon.

Gras.
Lucht.
Een man met een rollator die stilstaat alsof hij iets belangrijks doet, terwijl dat niet zo is.

Ik glimlachte.
Waarom, dat weet ik niet precies.

Maar het was voldoende.

Misschien is dat het enige wat overblijft.
Niet Han.
Niet het verhaal.

Gewoon dit.

Dat er iets is dat kijkt.
En dat het, als het meezit,
af en toe
even mag uitrusten.

Plaats een reactie