Geïnspireerd door Godfried Bomans

Het was een ochtend van niets. De lucht hing stil boven de polder, alsof iemand vergeten was aan de wind te trekken. Bram liep voor me uit, zijn staart een kleine vlag van vertrouwen. De rollator piepte bij elke stap, een duet van metaal en adem.

Na het derde bankje zag ik hem.
Een man met een lange jas, te groot voor zijn magere lijf. Onder die jas bewoog iets. Eerst dacht ik dat hij een rugzak droeg, maar toen hij zich omdraaide, zag ik veren.
Donkergrijze, wat versleten veren, alsof ze al jaren tegen muren hadden geschuurd.

“Goedemorgen,” zei ik.
De man knikte, maar het was geen knik uit beleefdheid. Eerder eentje die zei: ik weet het ook niet meer, vriend.

Bram bleef staan, snuffelde aan de grond en keek toen omhoog, niet naar de man, maar iets achter hem, de lucht in. Alsof hij iets rook dat ik niet kon zien.

“U heeft vleugels,” zei ik uiteindelijk, want iemand moest het zeggen.

“Ja,” antwoordde hij. “Een vergissing van de Schepper, denk ik. Te zwaar om te vliegen, te licht om te rusten.”

Hij glimlachte alsof het een grap was, maar zijn ogen keken langs me heen, ver voorbij de sloot.

Thé Tjong-Khing

Ik vroeg of hij al lang wandelde.
“Altijd,” zei hij. “Sinds ik niet meer durf te vliegen. Wandelen is de enige manier om de hemel te vergeten zonder te liegen.”

Ik moest lachen. “Ik wandel omdat ik niet meer kan rennen.”

Hij keek naar mijn rollator. “Dan bent u verder dan ik.”

We liepen samen een stukje.
Bram liep tussen ons in, de diplomaat.
De vleugelman probeerde zijn vleugels in te houden, maar af en toe raakte een veer mijn mouw, een zacht, stoffig tikje. Het voelde niet als aanraking, meer als herinnering.

Na een tijdje zei hij:
“Ze zeggen dat wie vleugels heeft, moet vliegen. Maar niemand leert je landen. En elke vlucht eindigt toch op de grond.”

Ik knikte. “Misschien is dat precies waarom we wandelen. Om alvast te oefenen in het landen.”

Hij glimlachte.
“Of om de hemel iets dichter bij de aarde te brengen.”

Toen we bij het laatste bankje kwamen, bleef hij staan. Bram sprong erop en ging zitten, alsof hij wist dat het gesprek daar hoorde te eindigen.

De vleugelman deed zijn jas uit. De veren glansden in het zwakke licht. Niet als een wonder, eerder als iets ouds dat nog altijd weigert te vergaan.

“Ze zijn moe,” zei hij zacht. “Soms denk ik: misschien moet ik ze gewoon begraven.”

Ik keek naar Bram, die geeuwde.
“Of misschien moet u leren met ze te wandelen,” zei ik.

Daar moest hij om lachen.
Een korte, schurende lach.

Hij trok zijn jas weer aan, liep een paar passen achteruit en zei:
“Als u me weer ziet, kijk dan niet omhoog. Kijk gewoon waar u bent. Daar kom ik vanzelf langs.”

En toen was hij weg. Niet gevlogen, niet verdwenen, gewoon opgenomen in het tempo van de dag.

Bram keek achterom, kwispelde en liep verder, alsof de wereld even had ademgehaald.
De rollator piepte, mijn adem ging mee in het ritme.

En ineens wist ik het:
Alles wandelt mee.
Zelfs wat ooit wilde vliegen.

2 reacties op “De vleugelman en de rollator”

  1. Poetische wandelingen, filosofische wandelingen, therapeutische wandelingen?

    Jij loopt wat af!

    Het is vrijdagmiddag, je hebt een wee dram Whisky verdient.

    Slainte

  2. Proost! 👊🏻🌻🙃

Geef een reactie op Rob Alberts Reactie annuleren