Er gebeurde iets tijdens het lopen met Bram.
Hij liep voor me uit, zijn staart recht omhoog.
Ik achter mijn rollator.
Ik dacht aan de dagen na mijn operatie.
De pijnstillers.
De morfine.
De dromen die daaruit kwamen, zo fel dat ik ze bijna nog zie.
In die dromen leek ik het geheim van het universum te begrijpen. Alles. Leven, dood, de sterren. Zelfs waarom schoenen altijd op het verkeerde moment slijten.
Toen ik wakker werd, bleef er één zin hangen.
Ik schreef hem op.
Later las ik het terug.
“Alles in het universum ruikt naar gebrande amandelen.”
Ik lachte hardop, daar op het pad in de polder.
Bram keek om, likte zijn lippen. Misschien rook hij wél amandelen.
Misschien is het waar, dacht ik.
Misschien is alles gebrande amandelen.
Of nat gras. Of hondenpis. Of het piepen van mijn rollator.
Het doet er niet toe.
Het gaat erom dat je voelt dat je er deel van bent.
Dat je mislukkingen en angsten net zo bij de dag horen als Bram die blaft naar een eend.
Dat gevoel wilde ik terug.
Maar je vindt het niet door te zoeken.
Zoals je op school soms pas na honderd keer uitleg ineens iets snapt.
Ik dacht bij mezelf: je wás er al. Je bént er nog steeds.
Ook nu je denkt dat je het kwijt bent.
Bram blafte kort.
Alsof hij wilde zeggen:
“Alles in dit universum is gewoon wandelen. Met of zonder amandelen.”

Geef een reactie op openruimte Reactie annuleren