Gisteren was pittig, jongens. Ik zal er niet om liegen. Liep dus vanochtend alle smoezen na op het Internet, om gewoon lekker thuis te kunnen blijven. Mijn kat gooide echter roet in het eten: die dwarse kop, die priemende blik, dat teleurgestelde gemiauw!
“Goed!” mauwde ik terug. “Laat ik het maar gewoon doen.”
In mijn achterhoofd zat die schat aan informatie die via elk digitaal achterdeurtje naar binnen komt gewaaid: ik wandel vandaag lekker langzaam!
Volgens vooraanstaande lopers kleven er bijzondere voordelen aan de langzame pas.
Voordeel één: het is vriendelijker voor je knieën.
En geloof me, als er iemand iets weet van versleten knieën, dan ben ik het wel.
Er schijnt onderzoek te zijn (universiteit van Drenthe geloof ik), waarin staat dat langzaam wandelen de druk op je kniegewrichten met wel vijfentwintig percent vermindert.
Een kwart, jongens!
Dat is het verschil tussen strompelen of niet strompelen. Tussen ‘ik ga even naar buiten’ en ‘ik blijf maar zitten, want het bonkt’.
Voor sommige mensen is dat een wereld van verschil. Voor mij ook trouwens. Al ben ik meer van het hele lichaam dat protesteert dan alleen de knieën.
Voordeel twee: en nu wordt het filosofisch.
Er is geen onderzoek naar, helemaal niks. Geen grafiek, geen tabel, geen professor die er z’n naam onder durft zetten.
Maar ik voel het.
Langzaam wandelen is meditatief. Het is rustgevend.
Als ik snel loop, nou ja, snel, relatief snel, dan ben ik met van alles bezig: waar moet ik naartoe, wat moet ik onthouden, wat heb ik alweer vergeten?
Snel wandelen is denken in lijstjes.
Langzaam wandelen is geen lijstjes meer kunnen lezen.
Als ik langzaam loop en ik luister niet naar een podcast of muziek of het gekakel in mijn hoofd, dan… gebeurt er iets.
Dan zie ik ineens een grasspriet die raar groeit. Of een hond met een twijfelachtige snor.
En dan is er rust.
En dat is wat waard.
Voordeel drie, wacht. Dit klinkt misschien gek.
Maar langzaam wandelen kan zwaarder zijn dan snel wandelen.
Ja, ik weet het. Klinkt als onzin.
Maar als je snel wandelt, dan helpt de beweging je vooruit. Je momentum draagt je als het ware mee, als een fietser met wind mee.
Maar als je langzaam loopt, dan moet je alles zelf doen.
Elke stap.
Elke verplaatsing.
Zelf aanduwen, als een boodschappenwagentje met een los wiel.
Als mijn vrouw met mij wandelt en zij wandelt beduidend rapper dan ik, dan is zij na afloop kapotter dan wanneer zij haar gewone tempo loopt.
Misschien is het mijn tempo. Misschien is het de liefde.
Misschien is het gewoon verdomd zwaar om langzaam te zijn.
En voordeel vier…
Hier viel ik bijna van mijn stoel.
Onderzoekers van de Universiteit van Arnhem (of was het Nijmegen? Ik haal die altijd door elkaar, allebei provinciaal, in elk geval) ontdekten dat je meer calorieën verbrandt als je langzaam wandelt dan als je snel wandelt.
Ja, serieus.
Drie kilometer per uur verbrandt méér dan 5 kilometer per uur.
Dat is dus: trager = vetverbrandender.
Ik vond het klinken als een slechte reclame voor een dieet met oliebollen, maar het schijnt te kloppen.
Je lichaam moet harder werken zonder die natuurlijke vaart van een hoger tempo.
En je hersenen, die snappen het niet, maar die mogen ook een keer niet de baas zijn.
En dit is misschien wel de belangrijkste.
Als je langzaam wandelt, dan beweeg je.
En bewegen is toch het tegendeel van sterven.
We zitten al genoeg. We zitten terwijl we eten, denken, lezen, twijfelen, vergeten te leven.
Zitten is een sluipmoordenaar met zachte kussens.
En als je loopt, hoe langzaam ook, dan ontsnap je daaraan.
Je lijf krijgt lucht. Je dagen krijgen vorm.
En je begint, heel misschien, aan een gewoonte die blijft.
Niet omdat het moet. Maar omdat het minder erg is dan gedacht.

Zojuist liep ik vijfhonderdachtentwintig meter in elf minuten.
En dat telt. Ook al telt niemand mee.
Geef een reactie op Rob Alberts Reactie annuleren