Ik wandel tien minuten met Bram. Tien minuten, dat is het contract dat mijn lijf met de tijd heeft afgesloten. Geen seconde langer, want dan breekt er misschien iets (weet ik veel? Ben in training, mensen).

Er jaagt altijd een tijger achter me aan. Niet zichtbaar, wel hoorbaar: hij hijgt in mijn nek, hij heet “minder kunnen dan gisteren.”

Voor me ligt de stoep vol gaten. Elke scheur een put. Onder in elke put wacht een slang: de knie die niet mee wil, de spier die protesteert. Ik houd me vast aan de rollator, piepend en knagend alsof er muizen in wonen. Soms denk ik dat ze ’s nachts aan de handvatten knagen, zodat ik er overdag moeilijker bij kan.

En dan kijk ik naar Bram. Hij loopt, alsof hij eeuwig de tijd heeft. Hij vindt iets dat lijkt op brood, een geurspoor, een waterplas waar hij zich aan vergaapt.

Terwijl boven mij de tijger loert en onder mij de slang wacht, ontdekt Bram honing op elke grasspriet. Hij likt de lucht alsof de wereld gemaakt is om van te proeven.

Daar zit de grap, denk ik: ik hang tussen tijger, slang en muizen en Bram geeft me de honing. Door zijn blik, zijn domme vrolijkheid. Tien minuten zijn dan genoeg. Alsof het leven niet uit elkaar valt, maar in elkaar klikt.

Plaats een reactie