
Karin en ik voeden Bram samen op. Het principe is eenvoudig: één hond, twee bazen, dezelfde commando’s. Maar zodra wij samen roepen, kiest Bram steevast een derde weg.
Op de wandeling gebeurde het weer: precies op het smalste stuk van het pad kwam een tegenligger aan. Ik zei: “Bram, naast!” Karin zei: “Bram, hier!” En Bram ging pontificaal midden op het pad staan, zodat niemand erlangs kon. De tegenligger keek alsof wij een toneelstuk opvoerden, een experiment van de toneelschool dat mislukte en toch applaus verdiende.
Ik herken dat patroon: tegenliggers komen altijd waar de weg het smalst is en honden luisteren altijd waar ze het minst moeten luisteren. Het is alsof het universum plezier schept in dit soort kleine fricties.
Thuis herhaalde zich het tafereel. Karin riep bij de eettafel: “Niet bedelen!” Ik riep: “Ga weg!” En precies toen Bram bewoog, liet ik mijn vork vallen. Hij greep de gehaktbal en sprong ermee op de bank. Daar zat hij, de tegenligger in ons huishouden: altijd op het smalste punt, altijd met de buit.
Ik dacht: misschien is dit de essentie van het hond-zijn. Orde heeft altijd barstjes, autoriteit loopt nooit synchroon en de echte macht behoort toe aan degene die precies weet wanneer de weg te smal is om ons nog naast elkaar te laten.
Plaats een reactie