Ik liep met Bram en de rollator, over zo’n pad waar je nooit iets verwacht. Gewoon een strook tussen sloot en akker, te smal voor stampij, te breed voor introspectie. Tot je erin zit. Tot het moment daar is: precies dáár, waar het pad versmalt tot een zenuw tussen weiland en prikkeldraad, verschijnt de tegenligger. Altijd. Als een wet. Alsof het universum zijn schouders ophaalt en zegt: “Zo, Han, nu jij.”

Het is dit keer geen auto, geen brommer of fiets. Een man met een hond. Niet zomaar een hond, maar een opdringerige bruine, die op Bram afstuift alsof hij hem al jaren kent. Bram is verrukt. Hij duwt zijn natte neus tegen mijn been, dan tegen de ander, dan weer in de lucht, alsof hij de geur van verbondenheid kan ruiken nog voor wij mensen elkaar aankijken.
Ik glimlach beleefd, terwijl ik een halve draai maak met de rollator in het natte gras. De tegenligger knikt. Geen woorden. We zeiden niets. We weken uit, keken even, gaven elkaar net genoeg ruimte om door te kunnen. We passeren. We leven nog.
En terwijl ik weer rechtop loop, denk ik aan die ene gedachte die me al maanden achtervolgt, dat de tegenligger altijd verschijnt op het smalste punt. Alsof ik getraind word in overgave, in coördinatie, in sociale akrobatentoeren zonder vangnet. En het blijft niet bij wandelen: in de auto, op de fiets, zelfs bij de 24-uurs afhaalautomaat van de apotheek, de ander komt altijd precies dáár waar ik net niet uitkom.
Misschien is het toeval. Misschien is het projectie. Of een filter in mijn brein dat alleen de krappe momenten onthoudt. Maar ik denk: nee. Ik word hier weer opgevoed. Kosmische pedagogiek. Een les zonder docent, een ritueel zonder priester.
Want ergens weet ik: ik bén de ander. En de ander is mij. We zijn manifestaties van hetzelfde ene bewustzijn, dat op het smalste punt een spiegel omhooghoudt. Kijk, zegt het leven. Hier ontmoet je jezelf. Niet op het brede trottoir, maar in de klem. Hier kijk je in de ogen van wat je dacht dat buiten jou stond.
Bram plast tegen een paaltje. Mijn hand glijdt even over zijn rug. Zijn vacht is nat, warm, ruikt naar slootwater en herfstblad en iets onbenoembaars, iets ouds, vertrouwds, alsof hij het hele landschap bij zich draagt. En dan voel ik het: een zachte golf in mijn borst. De wereld voelt minder hoekig. Alsof er iets warms door me heen glijdt, een onzichtbare balsem. De wetenschap noemt het oxytocine. Ik noem het anders.
Ik noem het: de lijm van het pad
Plaats een reactie