Sinds ik met rollator en hond loop, groet men mij niet zomaar. Nee, het is een nationale hobby geworden. Vroeger kon ik nog anoniem door de straat marcheren, stevige man, ex-basisschooldirecteur, zware stem. Mensen hielden afstand, misschien bang dat ik de taalnazi op ze los zou laten.

Maar nu? Nu gaat het te ver. Het begint ’s ochtends al, zodra ik de voordeur open: de DHL knul springt in de houding, roept “Goedemorgen meneer!” en knikt daarna eerbiedig naar de hond. De buurvrouw zwaait uitbundig vanuit haar voortuin en schreeuwt: “Wat een prachtige dag om te leven!”
Ik heb haar nog nooit zo gezien.
Op de hoek van de straat staat een groepje scholieren. Ze groeten niet alleen, ze zingen een meerstemmig “Goedemorgen meneer mét rollator en hondje!”, alsof ik de intocht van Sinterklaas ben.
Bram kwispelt. Ik knik. We doen alsof dit volkomen normaal is.
Zelfs automobilisten doen mee. Gisteren hield een vrachtwagenchauffeur midden op de kruising stil, stak zijn hoofd uit het raam en brulde: “MOOI HONDJE HOOR, FIJNE WANDELING!” Het hele verkeer lag plat. Mensen begonnen te toeteren, maar wel vriendelijk, in het ritme van de groet.
En ik, ik geloof mijn ogen en oren niet. Voorheen was ik de man die gezag uitstraalde en dus genegeerd moest worden. Nu ben ik een lopend buurtfeest, een mobiele groetmachine. Het is grotesk. Soms denk ik: straks wordt er nog een comité opgericht, met vergaderingen en notulen, speciaal om mij elke ochtend officieel welkom te heten in de straat.
Bram vindt het allemaal prachtig. Hij laat zich aaien, likt een kind in het gezicht en kijkt me aan met een blik die zegt: Je dacht dat jij de directeur was. Vergeet het maar. Ik ben de baas van de groeten.
Plaats een reactie