Wandelen met Bram is een merkwaardig iets. Mijn hart, mijn spieren en zijn krulstaart varen er wel bij, maar vooral mijn hoofd krijgt rare kuren. Zodra we de straat op stappen, begint mijn brein zich te gedragen als een losgeslagen ambtenaar in een half ingestort archief. Hij trekt lades open, zwaait met vergeelde dossiers en gilt: “Ha! Weer een tegenligger precies op de smalste plek!” Alsof ik niet wandel, maar door een krankzinnige papierwinkel strompel waar alles al eens is gebeurd, maar elke keer nét anders.
Op de stoep verschijnt altijd iemand die mij wil klemzetten, Bram snuffelt precies waar ik dat al vreesde en als ik denk slim een rustige route te kiezen, duikt er een bakfiets, scooter of verdwaalde jogger op. Toeval? Nee. Het universum heeft een ziek gevoel voor humor.

En dan ineens: Bizar! Moest op stel en sprong met de hond naar buiten, stond ik daar bij het perkje zonder stok, zonder rollator. Alleen Bram en ik, alsof mijn benen even collectief geheugenverlies hadden en dachten: ach joh, wij kunnen dit wel weer.
Misschien is dát de echte grap van wandelen: de patronen liggen niet vast, ze vallen soms zomaar uiteen. Waar ik meestal leun op staal en wieltjes, stapte ik dit keer in een oud patroon, dat van vertrouwen op mijn eigen lijf.
Dus werd het rondje met Bram geen gewone oefening in snuffelen en kijken, maar een komisch bewijs dat patronen zich niet houden aan hun eigen regels. Zelfs al herken je ze, ze verrassen je toch. Geen toeval, alleen herhalingen in vermomming en af en toe eentje die zijn jas kwijt is.
Plaats een reactie