Ja ja. U leest het goed. Ik kan weer lopen.
Nee, dit is niet de aanhef van een oude mop waar ik u in laat tuimelen, met een fiets die gestolen is en een vrouw die er met de buurman vandoor is. Alles staat nog op z’n plek. Nou ja… behalve ikzelf.
Ik strompel dus weer. En omdat de fysio zei dat ik voortgang moest boeken, alsof ik een postkantoor was, heb ik besloten een wandeldagboek bij te houden. Elke dag tien minuten schuifelen, waggelen, je kent het wel. En daarna: woorden zoeken. Woorden die me niet in de steek laten zoals mijn benen dat maandenlang gedaan hebben. Vandaag schrijf ik achteraf (geen video opname on the go), want tijdens het wandelen kan ik amper ademhalen, laat staan zinnen vormen. (Al zou het u misschien vermaken, een soort slapstick zonder publiek: ik, struikelend met wandelstokken, happend naar lucht als een vis op het droge.)
Of het beviel, die eerste wandeling?
Welnee. Geen zier.
Vierhonderdenvier meter heb ik afgelegd. Vierhonderdenvier! Alsof het een kamer in een spookhotel is. Met die twee Nordic Walking-stokken als voorpoten van een stervend insect. Ik voelde mij geen sportheld, geen herrezen Lazarus, ik voelde me een zak meel met een lek erin. Alles deed pijn. Zelfs mijn gedachten piepten als een slecht gesmeerde kruiwagen.
Maar ik liep. En dat telt. Zeggen ze.
Plaats een reactie